De rapportcijfers worden elk trimester gebaseerd op de cijfers die behaald zijn voor de toetsen. In de onderbouw wordt het rapportcijfer bij ”één-uursvakken” gebaseerd op twee cijfers. Indien er meer lesuren per week zijn op minimaal 4 cijfers. In de bovenbouw wordt het rapportcijfer bepaald door minstens evenveel cijfers als er lessen per week in dat vak zijn.
Niet meegemaakte werken moeten in overleg met de docent ingehaald worden. Dit is zeker het geval, als het aantal cijfers anders beneden het minimum zou komen te liggen. Toetsen (GP's, KP's, so's, mo's en praktische opdrachten) hebben een verschillende weging. Ook de rapportperiodes kennen een verschillende weging. In Periode 1 wordt het rapportcijfer berekend over de in die periode gemaakte toetsen.
Aan het eind van de tweede periode wordt het rapportcijfer anders berekend. Het cijfer van de eerste periode telt 1 x mee. Het gemiddelde van de tweede periode telt 2 x mee. Die cijfers worden vervolgens gemiddeld en vormen het tweede rapportcijfer. Bij het rapportcijfer aan het eind van het schooljaar (overgangsrapport) wordt eerst weer een cijfer berekend over de toetsen van die derde periode. Daarna
komt het cijfer op het overgangsrapport tot stand volgens de formule 1 - 2 - 2. Dit houdt in dat het cijfer van de eerste periode 1x meetelt voor het berekenen van het eindcijfer, het resultaat van de tweede periode 2 x en het resultaat van de derde periode eveneens 2 x. In de brugklas luidt deze formule 0 - 1 - 2.
|
|
|